Dubbele nationaliteit van de EU & afgeleid verblijfsrecht

http://sarikasagayev.nl/dubbele-nationaliteit-van-eu-afgeleid-verblijfsrecht/

Advertenties

Vreemdelingenbewaring: termijn uitspraak rechtbank

Vreemdelingen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie verblijven mogen op basis van de Terugkeerrichtlijn in bewaring worden gesteld om de terugkeer mogelijk te maken.  Aangezien vreemdelingenbewaring – ook wel vreemdelingendetentie genoemd – een zeer ingrijpende maatregel is, mag het niet zo maar worden opgelegd. Het mag alleen worden opgelegd als het niet mogelijk is om het doel – namelijk de uitzetting – op een andere manier te bereiken. Denk aan vrijwillige terugkeer of meldplicht. 

Als een vreemdeling eenmaal in bewaring is gesteld mag de bewaring ook niet eindeloos duren. Zo moet de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), die belast is met de uitzetting, voortvarend handelen. Dat betekent dat de DT&V tijdig de juiste handelingen moet verrichten om de uitzetting mogelijk te maken. Laat de DT&V de zaak te lang liggen, waardoor de vreemdeling onnodig lang in bewaring blijft, dan kan de rechtbank om die reden de opheffing van de bewaring bevelen.

De wet laat ook toe dat de bewaring opgeheven wordt als de rechtbank niet binnen zeven dagen na de zitting een schriftelijke uitspraak heeft gedaan. Artikel 94, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet bepaalt: 

‘De rechtbank doet mondeling of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan. In afwijking van artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd.’

De Raad van State heeft al in een uitspraak van 12 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7976, de wetsbepaling zo uitgelegd dat de overschrijding van deze uitspraaktermijn niet per se tot onrechtmatigheid van de bewaring leidt. Per geval moet worden beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden die overschrijding van deze termijn kunnen rechtvaardigen.

In een recente uitspraak oordeelde de Raad van State dat de overschrijding van de uitspraaktermijn niet gerechtvaardigd was.  De bewaring van de vreemdeling werd dan ook met ingang van de dag nadat de termijn voor het doen van de uitspraak was geëindigd, onrechtmatig. De link naar de uitspraak van de Raad van State: http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=92102

Tegenwerpen van het verstrekken onjuiste gegevens in een vorige procedure in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn

Referent voldoet aan de inkomenseis en de vreemdeling heeft het inburgeringsexamen buitenland met goed gevolg afgelegd. Verder voldoen zij ook aan alle andere eisen. Toch wordt de mvv-aanvraag afgewezen. Dit kon. Als de vreemdeling in het verleden, in een andere procedure, onjuiste gegevens had verstrekt (zoals bijvoorbeeld het hebben van een schijnrelatie waarvoor de vreemdeling een verblijfsvergunning had gehad, die vervolgens ingetrokken is). In dat geval kon de mvv-aanvraag van de vreemdeling worden afgewezen totdat de vreemdeling 5 jaar buiten het grondgebied van Nederland had verbleven. De IND baseerde dit op artikel 16, aanhef en onder i, van de Vreemdelingenwet:’Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien: (…)

 i. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid; ‘

In het Vreemdelingenbesluit werd dit nader gespecificeerd, in artikel 3.77, lid 7:

 ‘De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgewezen op de in artikel 16, eerste lid, onder i, van de Wet genoemde grond, tenzij de vreemdeling sinds de laatste uitzetting of het laatste gecontroleerde vertrek een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren buiten Nederland heeft verbleven.’

Veel vreemdelingenrechtadvocaten worstelden hiermee omdat iemand op deze manier twee keer gestraft werd: 1. de verblijfsvergunning werd ingetrokken en de vreemdeling werd uitgezet of verliet het land vrijwillig; 2. Toekomstige aanvragen werden voor 5 jaar als het are geblokkeerd.

In een zaak van mij betekent dit dat een moeder van drie minderjarige kinderen – die bij hun Nederlandse vader in Nederland verblijven – haar kinderen slechts met een visum voor kort verblijf kan bezoeken. Het kwam zelfs voor dat het visum kort verblijf een keer afgewezen werd. Gelukkig kon dit na bezwaar rechtgezet worden. Aangezien de moeder in 2014 Nederland had verlaten kon zij tot 2019 geen verblijfsvergunning krijgen.

De IND was van mening dat dit beleid in overeenstemming was met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Artikel 16, lid 2, van de Gezinsherenigingsrichtlijn bepaalt:

2. De lidstaten kunnen tevens het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging afwijzen of de verblijfstitel van gezinsleden intrekken of weigeren te verlengen indien is vastgesteld dat:

a) er valse of misleidende informatie is verstrekt, valse of vervalste documenten zijn gebruikt, of anderszins fraude is gepleegd of onwettige middelen zijn gebruikt;

Op 26 april 2017 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’) overwogen dat artikel 16, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, lid 7, Vb in strijd zijn met artikel 16, lid 2, van de Gezinsherenigingsrichtlijn (201604740/1/V1).

 Allereerst brengt de Afdeling in herinnering dat de gezinshereniging de algemene regel is. Dit volgt uit het Chakroun-arrest. De beperkingen op de gezinshereniging, zo ook artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn moeten strikt worden uitgelegd. De lidstaten mogen hun handelingsruimte niet zo gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn, namelijk de bevordering van gezinshereniging.

Volgens de Afdeling moet artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn zo worden gelezen dat de aanvraag kan worden afgewezen indien er o.a. onjuiste gegevens zijn verstrekt. Ook kan een eenmaal verleende verblijfsvergunning worden ingetrokken indien de IND er achter komt dat er o.a. sprake was van het verstrekken van onjuiste gegevens. Het is dus een sanctie.

Uit de bepaling volgt echter niet dat indien er eenmaal een sanctie is opgelegd de IND de sanctie ook nog eens kan ‘doortrekken’ naar een nieuwe aanvraag. Hetbeoogde doel – namelijk het tegengaan van misbruik – is namelijk al bereikt door de intrekking.

Voor zover deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat een vreemdeling misbruik maakt van de Gezinsherenigingsrichtlijn door onjuiste gegevens te verstrekken, is dat doel in die situatie reeds bereikt doordat de verblijfsvergunning ingetrokken is. De desbetreffende vreemdeling verstrekt immers thans de juiste gegevens en voldoet aan de vereisten voor gezinshereniging. De genoemde bepaling van de Gezinsherenigingsrichtlijn kan niet worden gebruikt om een latere mvv-aanvraag af te wijzen. De Afdeling concludeert dan ook: ‘Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000 is dan ook in zoverre onverbindend. Dat de staatssecretaris een individuele beoordeling maakt voordat hij een aanvraag op deze grond afwijst, maakt dit niet anders. De staatssecretaris is immers niet bevoegd om een aanvraag in die situatie op deze grond af te wijzen.

Reeds omdat artikel 3.77, zevende lid, van het Vb 2000 een uitwerking is van de in artikel 16, eerste lid, onder i, van de Vw 2000 neergelegde afwijzingsgrond, is deze bepaling eveneens een onjuiste implementatie van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Deze bepaling is dus eveneens onverbindend.’

Mijn client zal een nieuwe aanvraag indienen. Ook andere mensen in een soortgelijke situatie kunnen dit nu doen.

Overigens zijn de genoemde nationale bepalingen slechts onverbindend daar waar het gaat om gezinshereniging. Als het gaat om andere verblijfsgronden, zoals een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst, kan de IND de bepalingen nog steeds toepassen.

Link naar de uitspraak: https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91061

De Raad van State verklaart het hoger beroep van de IND over het ‘zesmaandenbeleid’ ongegrond

Derdelander partners van Nederlanders, die gebruik hebben gemaakt van hun recht  op vrije verkeer van personen door zich in een andere EU-lidstaat te vestigen, en die  zich samen met hun Nederlandse partner in de andere EU-lidstaat hebben gevestigd kunnen samen met de Nederlandse partner naar Nederland terug keren. Dit is al lang geleden door het Hof van Justitie bepaald in de arresten Eind en Singh en later bevestigd en nader gespecificeerd in het O. en B. arrest.  In het laatste genoemde arrest heeft het Hof het volgende overwogen:

’54 Wanneer er in geval van een daadwerkelijk verblijf van een burger van de Unie in het gastland krachtens en onder eerbiediging van artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38, aldaar een gezinsleven is opgebouwd of bestendigd, vereist de nuttige werking van de rechten die de betrokken burger van de Unie aan artikel 21, lid 1, VWEU ontleent, dat het gezinsleven dat deze burger in het gastland heeft geleid, kan worden voortgezet bij diens terugkeer in de lidstaat van zijn nationaliteit, middels de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan het betrokken familielid dat derdelander is. Zonder een dergelijk afgeleid verblijfsrecht zou deze burger van de Unie er immers van worden weerhouden de lidstaat van zijn nationaliteit te verlaten om zijn recht uit te oefenen om krachtens artikel 21, lid 1, VWEU in een andere lidstaat te verblijven, omdat hij niet de zekerheid heeft dat hij in zijn lidstaat van oorsprong een gezinsleven met zijn naaste verwanten dat hij in het gastland heeft opgebouwd of bestendigd, kan voortzetten (zie in die zin arresten Eind, punten 35 en 36, en Iida, punt 70).

55 A fortiori vereist de nuttige werking van artikel 21, lid 1, VWEU dat de burger van de Unie bij zijn terugkeer in de lidstaat van zijn nationaliteit het gezinsleven kan voortzetten dat hij in het gastland leidde, indien deze burger en het betrokken familielid dat derdelander is, in dat gastland een duurzaam verblijfsrecht hebben verworven krachtens artikel 16, lid 1 respectievelijk lid 2, van richtlijn 2004/38.’

Voor de zogenaamde EU-toetsing gelden enkele criteria. De IND heeft dit vastgesteld in de Vreemdelingencirculaire (paragraaf B10/2.2. Vc).  Daarin staat het volgende:

‘Voor het uit een derde land afkomstige familielid van een Nederlander ontstaat een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 21, eerste lid, VWEU als de Nederlander en het familielid:

• daadwerkelijk hebben verbleven in een andere lidstaat van de EU;
• gedurende de gehele periode van daadwerkelijk verblijf in de andere lidstaat hebben voldaan aan de voorwaarden genoemd in lid 1 of lid 2 van artikel 7 of in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG; en
• tijdens het daadwerkelijke verblijf in de andere lidstaat een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd.

De IND neemt alleen aan dat het gezinsleven is opgebouwd of bestendigd bij een daadwerkelijk, aaneengesloten verblijf in de andere lidstaat van ten minste zes maanden.’

Hoewel het Hof de termijn van 6 maanden niet noemde, vond de IND dat het Hof de lidstaten de ruimte gaf om zelf een termijn te bepalen voor de beantwoording van de vraag wanneer het gezinsleven in de andere lidstaat opgebouwd/bestendigd is. Aanhakend bij de nationale beleidsregels heeft de IND die termijn bepaald op 6 maanden.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) had het arrest O. en B.  zo uitgelegd dat een gezamenlijk verblijf van meer dan 3 maanden volstond. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3184, later bevestigd in de uitspraak van 19 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:517):

‘Indien het familielid van de burger van de Unie aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die hoedanigheid samen met de burger van de Unie langer dan drie maanden in een gastlidstaat heeft verbleven en daar een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd, heeft hij in beginsel bij terugkeer naar de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit, een afgeleid verblijfsrecht (zie punt 53). ‘ (rechtsoverweging 5.3.).

De IND bleef de eis van 6 maanden hanteren. Totdat de vraag voorgelegd werd aan de vreemdelingenkamer in Roermond (11 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11370). De rechtbank overwoog als volgt:

’13. De wijze waarop verweerder in het beleid sinds 1 januari 2015 invulling geeft aan het begrip opbouwen en bestendigen van het gezinsleven en met name het vereiste van de zes maanden termijn betreft naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste interpretatie van de hiervoor weergegeven jurisprudentie en bepalingen van de Verblijfsrichtlijn. Het afgeleide verblijfsrecht ontstaat immers indien voldaan is aan de vereisten van artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn en dat is een daadwerkelijk verblijf van tenminste drie maanden. Het door verweerder gehanteerde beleid in paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000 is in zoverre dan ook onverbindend. Verweerder heeft dit beleid dan ook ten onrechte ten grondslag gelegd aan zijn beslissing. Het bestreden besluit komt vanwege een motiveringsgebrek voor vernietiging in aanmerking.’

De rechtbank gaf de IND de kans om het genoemde gebrek te herstellen. Toen de IND aangaf daar geen gebruik te willen maken verklaarde de rechtbank het beroepschrift gegrond. De IND liet het daar niet bij zitten en tekende hoger beroep aan.

Ondertussen zette de IND het ‘zesmaandenbeleid’ voort. Voordat ik in ga op de uitspraak van de Afdeling in de hoger beroepszaak, wil ik een andere uitspraak noemen  waarbij een andere instantie ook een standpunt innam in een soortgelijke kwestie.

Het EFTA-Hof (het Hof waarbij Noorwegen, IJsland & Liechtenstein aangesloten is) kreeg de vraag voorgelegd of een verblijf van minstens 3 maanden in een andere lidstaat voldoende was voor het opbouwen van een gezinsleven. Het EFTA-Hof ging  uit van artikel 7 van de Richtlijn 2004/38, terwijl het Hof van Justitie uit gaat van artikel 21 van het Werkingsverdrag (VWEU). Op 26 juli 2016 overwoog het EFTA-Hof:

‘The Court assumes that the sponsor stayed legally in Spain for more than three months. If this is not the case, the sponsor cannot be said to have acted under EEA law for the purpose of creating a derived right as a family member for a third country national. It is for the referring court to establish the respective facts.’  (rechtsoverweging 73).

Ook het EFTA-Hof gaat dus uit van een verblijf van langer dan 3 maanden.

Verder wijs ik u naar punt 7 van de annotatie van Groenendijk. Ook daaruit blijkt dat de eis die verweerder stelt dat betrokkenen ten minste zes maanden in de andere EU-lidstaat verbleven moeten hebben niet in overeenstemming is met het Unierecht.

Rest nog de uitspraak van de Afdeling. Ik heb de uitspraak nog niet online kunnen vinden, dit komt omdat de Afdeling het door de IND ingediende hoger beroepschrift in een ‘standaard uitspraak’ kennelijk ongegrond heeft verklaard. De advocaat van betrokkenen, mr. Lienaerts, heeft mij in het bezit gesteld van de geanonimiseerde versie van de uitspraak (21 februari 2017, 201607444/1/V3). Door het hoger beroepschrift kennelijk ongegrond te verklaren zonder een inhoudelijke beoordeling liet de Afdeling blijken dat er geen twijfel bestaat over de vraag of het IND-beleid van de zesmaandentermijn in overeenstemming is met het Unierecht. Het antwoord is nee.

 

 

Compatibility Visa Code & EU Charter of Fundamental Rights

Those who wish to visit the EU need to have a visa issued by one of the Member States (with exception of the citizens of the states outside the EU who can travel without a visa). The Regulation (EC) No 810/2009 of the European Parliament and of the Council of 13 July 2009 establishing a Community Code on Visas (Visa Code) sets rules on the way visas have to be issued and the reasons which justify the rejection of an application for a visa.

In some cases states can also decide on behalf of other states whether a visa will be issued or not. Article 8 (1) of the Visa Code states:

‘A Member State may agree to represent another Member State that is competent in accordance with Article 5 for the purpose of examining applications and issuing visas on behalf of that Member State. A Member State may also represent another Member State in a limited manner solely for the collection of applications and the enrolment of biometric identifiers.’

For instance someone living in Azerbaijan or Nigeria who wishes to visit the Netherlands has to apply at the French embassy. It is the French embassy which approves or refuses an application on behalf of the Netherlands. If the applicant wants to appeal against that decision (s)he has to conduct the appeal against the French State. The procedure has to be conducted in France. This is decided in Article 32 (3) of the Visa Code:

‘Applicants who have been refused a visa shall have the right to appeal. Appeals shall be conducted against the Member State that has taken the final decision on the application and in accordance with the national law of that Member State. Member States shall provide applicants with information regarding the procedure to be followed in the event of an appeal, as specified in Annex VI.’

This raises practical problems, especially when neither the applicant nor the one who invites the applicant have friends or relatives in the State which has refused the visa.

In a recent case of mine an application by a young lady, living in Kosovo, who wanted to visit her boyfriend in the Netherlands, was rejected by the Swiss embassy in Kosovo. According to the Visa Code an objection has to be lodged in Switzerland. The objection in Switzerland has to be lodged in one of the official languages of Switzerland. Both the applicant and her boyfriend speak any of these languages. Nor do they have any understanding of the Swiss law. Hiring a lawyer in a country you do not law is not that easy. So there are several obstacles for the applicant for starting a procedure in Switzerland. Her boyfriend decided to lodge an objection in the Netherlands. The Dutch Immigration Service (the IND) decided that it was not competent to take a decision on the objection. According to the IND the objection had to be lodged in Switzerland.

The main question is whether the way the IND interprets and implements the aforementioned Article of the Visa Code is in keeping with Article 47 of the EU Charter of Fundamental Rights ( Right to an effective remedy). The first part of this Article states:

‘Everyone whose rights and freedoms guaranteed by the law of the Union are violated has the right to an effective remedy before a tribunal in compliance with the conditions laid down in this Article.’

Applicant finds that such an effective remedy has not been guaranteed in this case, since proceeding in Switzerland was nearily impossible for her.

The question is about the interpretation of the EU law. The question has to be answered by the Court of Justice of the EU (the CJEU). The matter has however to be brought to the CJEU. On basis of Article 267 of the Treaty on the Functioning of the European Union (TFEU) national courts may/must seek a preliminary ruling where questions are raised regarding the interpretation of the EU law. If no judicial remedy is possible against the decisions of the court in question, that court has to bring the matter before the CJEU.

According to the Dutch law an appeal against the decision of the Court is not possible (Article 84 of the Dutch Aliens Act (Vreemdelingenwet)). This means that the Court has to bring the matter before the CJEU. This would clarify the matter, not only for the Netherlands, but also for other states.

I have requested the Court in Arnhem, the Netherlands, to bring the case before the CJEU. A similair request has been rejected in the past. Whether the Court will seek a preliminary ruling has yet to be seen.

To be continued…

Minderjarige asielhouders & nareis van ouders

ECLI:NL:RBDHA:2016:4713

Deze uitspraak gaat over de uitleg van artikel 29, tweede lid, onder c, van de Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Asielzoekers van wie het verzoek om verblijfsvergunning asiel toegewezen wordt, hebben de mogelijkheid om hun gezinsleden te laten nareizen zonder te hoeven voldoen aan de (strenge) eisen van een reguliere aanvraag voor gezinshereniging. De ‘reguliere’ procedure zou voor statushouders nagenoeg onmogelijk zijn omdat zij dan aan de inkomenseis moeten voldoen. Het komt er kort gezegd op neer dat de statushouder een baan moet hebben. Zonder kennis van de Nederlandse taal en een netwerk is het niet makkelijk om aan de inkomenseis te voldoen. Indien voldaan wordt aan de criteria voor de nareis kan de statushouder zijn gezinsleden laten nareizen zonder te hoeven voldoen aan de inkomenseis. Welke gezinsleden hij mag laten nareizen wordt limitatief opgesomd in artikel 29, tweede lid, Vw:

  1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld inartikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:
  1. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;
  2. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;
  3. de ouders van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEU 2003, L 251).

Een gehuwde volwassen statushouder kan zijn/haar echtgeno(o)t(e) en minderjarige kinderen laten nareizen mits het gezin al bestond voordat de statushouder het land van herkomst ontvluchtte. Volgens het huidige beleid vallen ook de meerderjarige kinderen, die niet gehuwd zijn en ten tijde van het vertrek van de statushouder deel uitmaakten van het gezin, onder de gezinsleden die mogen nareizen.

Alleenstaande minderjarige asielzoekers mogen hun ouders laten nareizen. Voor de vraag wanneer iemand minderjarig is maakt het artikellid een verwijzing naar artikel 2, onder f, van de Richtlijn 2003/86 (hierna: de Gezinsherenigingsrichtlijn). Daarin wordt een alleenstaande minderjarige als volgt gedefinieerd:

  1. f) „alleenstaande minderjarige”: een onderdaan van een derde land of een staatloze jonger dan 18 jaar die zonder begeleiding van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat aankomt, zolang hij niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke volwassene staat, of een minderjarige die zonder begeleiding wordt achtergelaten nadat hij op het grondgebied van de lidstaat is aangekomen.

In deze uitspraak is de vraag wat het peilmoment is voor de minderjarigheid: het moment van de aankomst op het grondgebied van Nederland (16 of 17 jaar) of het moment waarop de statushouder de aanvraag voor nareis indiende (inmiddels 18 geworden). De IND gaat uit van het laatste en baseert zich op de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ‘de Afdeling’). De Afdeling heeft namelijk overwogen dat het peilmoment voor de vraag wanneer iemand als een minderjarige moet worden aangemerkt niet het moment is waarop de statushouder op het grondgebied van Nederland aankomt, maar het moment waarop de aanvraag voor gezinshereniging in het kader van nareis ingediend wordt.[1] De Afdeling onderbouwt dit standpunt als volgt:

“Artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 sluit wat betreft de invulling van het begrip ‘alleenstaande minderjarige’ aan bij artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Laatstgenoemde bepaling gaat voor die invulling uit van het moment van aankomst op het grondgebied van een lidstaat, zij het voor zolang de desbetreffende vreemdeling niet daadwerkelijk onder de hoede staat van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene. Hieruit volgt dat niet reeds het moment van aankomst in de lidstaat bepalend is, maar ook omstandigheden die zich na dat moment voordoen van belang kunnen zijn. De zich na aankomst voordoende omstandigheid dat een alleenstaande minderjarige vreemdeling onder de hoede wordt genomen van een voor hem verantwoordelijke volwassene brengt immers met zich dat hij niet langer binnen het toepassingsbereik van dat begrip valt. Gelet hierop valt niet in te zien dat de omstandigheid dat een vreemdeling na aankomst in Nederland de meerderjarige leeftijd bereikt, buiten beschouwing zou moeten blijven bij de vraag of hij binnen dat toepassingsbereik valt.”[2]

De Afdeling geeft dus aan dat een minderjarige niet meer alleenstaand is op het moment dat een ouder of voogd zich bij hem voegt. En daarmee valt de minderjarige dus ook niet onder het toepassingsbereik van het begrip alleenstaande minderjarige. Naar analogie daarvan vindt de Afdeling dat de statushouder ook niet meer onder het toepassingsbereik van de richtlijn valt op het moment hij 18 wordt. Dit is bijzonder nadelig voor de 16- en 17-jarigen die als minderjarige naar Nederland vluchten en pas een verblijfsvergunning verkrijgen nadat zij 18 zijn geworden.

De rechtbank denkt daar anders over. De rechtbank vindt dat als hoofdregel uitgegaan moet worden van het moment van aankomst op het grondgebied van een lidstaat. Er zijn hier twee uitzonderingen op. Één uitzondering breidt het begrip ‘alleenstaande minderjarige’ uit. Dit is het geval wanneer de minderjarige bij aankomst op het grondgebied van de lidstaat wel wordt begeleid door een ouder of voogd. In dat geval is er op het peilmoment geen sprake van een ‘minderjarige vreemdeling’; maar als de vreemdeling vervolgens zonder begeleiding wordt achtergelaten valt hij alsnog onder het toepassingsbereik van het begrip. De tweede uitzondering verkleint het toepassingsbereik van het begrip en dat is het geval wanneer de minderjarige vreemdeling weliswaar onbegeleid op het grondgebied van de lidstaat aankomt, maar daarna wel onder de hoede van een ouder of voogd komt te staan.

Volgens de rechtbank laat de Gezinsherenigingsrichtlijn geen verdere uitzonderingen toe. Om zijn argument kracht bij te zetten verwijst de rechtbank naar de richtsnoeren voor de toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Er is niets in de richtsnoeren terug te vinden wat het oordeel van de Afdeling onderschrijft.

Hier hebben wij duidelijk te maken met onenigheid over de uitleg van het toepassingsbereik van het begrip alleenstaande minderjarige.

Aangezien de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is, moeten de lidstaten bij de behandeling van verzoeken om gezinshereniging door vluchtelingen in ieder individueel geval alle betrokken belangen op evenwichtige en redelijke wijze beoordelen en daarbij terdege rekening houden met de belangen van kinderen. Daarnaast worden de lidstaten aangespoord om zich bij het gebruik van hun beoordelingsmarge zoveel mogelijk door humanitaire motieven te laten leiden.[3]

Het Hof van Justitie van de EU heeft in het arrest Chakroun bepaald dat gezinshereniging de algemene regel is. De mogelijkheden tot afwijzing dienen strikt te worden uitgelegd. Bovendien mogen de lidstaten hun handelingsvrijheid niet zo gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn, namelijk de bevordering van gezinshereniging, en aan het nuttig effect daarvan.[4] Daarnaast benadrukt het Hof dat de richtlijn de grondrechten en de beginselen die met name zijn erkend in artikel 8 EVRM en in het Handvest eerbiedigt. De bepalingen van de richtlijn moeten volgens het Hof dan ook worden uitgelegd in het licht van de grondrechten, meer in het bijzonder van het in zowel het EVRM als het Handvest neergelegde recht op eerbiediging van het gezinsleven.[5] Dit staat in schril contrast met de jurisprudentie van de Afdeling. De Afdeling wijst een beroep op artikel 8 EVRM in nareiszaken af met een beroep op de strikte scheiding tussen asiel en regulier.[6] De Afdeling gaat m.i. volledig voorbij aan het Chakroun-arrest van het Hof van Justitie.

Weliswaar heeft het Hof in het arrest Noorzia bepaald dat de lidstaten de datum van indiening van een verzoek voor gezinshereniging als uitgangspunt mogen nemen, maar het Hof heeft daarbij benadrukt dat dit in de aanhangige zaak de uitoefening van het recht op gezinshereniging niet verhindert of overdreven moeilijk maakt.[7] In Noorzia zou de gezinshereniging niet verhinderd worden zodra de betrokkenen de leeftijd van 21 jaar zouden bereiken. In geval van alleenstaande minderjarige asielzoekers ligt het heel anders. Hun aanvraag voor gezinshereniging in het kader van nareis wordt afgewezen als zij de aanvraag ingediend hebben nadat zij 18 zijn geworden, terwijl zij als minderjarige in Nederland aankwamen. Zij hebben geen andere keuze dan een een reguliere aanvraag voor gezinshereniging in te dienen. Een dergelijke aanvraag wordt slechts dan gehonoreerd wanneer er sprake is van ‘more than normal emotional ties’. Erg moeilijk dus. Daarnaast zullen de statushouders in de regel niet kunnen voldoen aan de middeleneis.

De rechtbank laat zien dat artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn ook anders geïnterpreteerd kan worden. Pas wanneer een rechter een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie zullen wij weten wat de interpretatie van het Hof is.

Link naar de uitspraak van de rechtbank: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:4713

[1] 23 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3711

[2] Idem, r.o. 5.

[3] Toelichting bij COM(2014)210 – Richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging.

[4] Zaak C-578/08 (Rhimou Chakroun), 4 maart 2010, r.o.43.

[5] Idem., r.o. 44.

[6]  23 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3711), r.o. 9: ‘Gelet op de strikte scheiding tussen asiel en regulier die volgt uit de systematiek van de Vw 2000, moet de reikwijdte van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 beperkt worden opgevat, in die zin dat die bepaling geen ruimte biedt voor een verdere afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dan de afweging die daarin reeds ligt besloten (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2010 nr. 201001188/1/V1).’

[7] C-338/13 (Marjan Noorzia), 7 juli 2014, r.o.

 

Update: De rechtbank in Amsterdam heeft een prejudiciële vraag gesteld over dit onderwerp: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:12824

Toepassing Khachab-arrest: Individuele beoordeling duurzaamheid middelen

De gezinshereniger moet voldoen aan de middeleneis, ook wel inkomenseis genoemd. Deze middeleneis heeft 3 componenten: de gezinshereniger moet zelfstandig beschikken over de middelen, de middelen moeten voldoende zijn en ze moeten duurzaam beschikbaar zijn.

Wat betreft de vraag of de middelen voldoende zijn is al het nodige gezegd en geschreven. Met name het Chakroun-arrest van het Hof van Justitie van de EU is daarin erg belangrijk. Ik heb al eerder aandacht besteed aan dit arrest. Louter het feit dat de gezinshereniger niet voldoet aan de gehanteerde normbedragen geeft de lidstaten niet het recht om een aanvraag af te wijzen: de lidstaten moeten per individueel geval nagaan of de gezinshereniger toch niet in staat is om rond te komen van zijn inkomen zonder een beroep te hoeven doen op de bijstand. Hoewel dit arrest zo gelezen kan worden dat het ook betrekking heeft op de duurzaamheid van de middelen, werd door de IND steevast volgehouden dat het Chakroun-arrest alleen betrekking heeft op de vraag of de middelen voldoende zijn en niet op het duurzaamheidsvereiste.

Met het recent gewezen Khachab-arrest (21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:285) heeft het Hof van Justitie meer duidelijkheid gebracht in de kwestie rond het duurzaamheidsvereiste. Het Hof bevestigt de individuele beoordeling van het Chakroun-arrest. Ook bevestigt het Hof dat de gezinshereniging de norm en het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn is. De afwijzing van een verzoek om gezinshereniging dient de uitzondering te vormen. Daarnaast moeten de lidstaten hun bevoegdheid om aanvragen af te wijzen niet op een manier gebruiken die indruist tegen het grondrecht dat neergelegd is in artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten van de EU (‘Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie’). De maatregelen die genomen worden mogen niet verder gaan dan dat strikt genomen noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Volgens het Hof van Justitie mogen de lidstaten de waarschijnlijkheid van een mogelijk beroep op de bijstand beoordelen. Het is niet de bedoeling dat de gezinshereniger 100% zekerheid verschaft over zijn inkomenssituatie voor de komende 12 maanden. Zie voor het arrest van het Hof van Justitie: http://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-558/14

Artikel 3.75, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit bepaalt dat de middelen ‘in ieder geval’ duurzaam zijn indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen. Met de toevoeging van de woorden ‘in ieder geval’ zou tegemoet zijn gekomen aan de eis van individuele beoordeling. Dit vindt in de praktijk echter nauwelijks plaats. In een recente zaak moest de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’) zich buigen over de vraag of de IND juist had gehandeld door een aanvraag louter af te wijzen omdat de arbeidsovereenkomst niet aangegaan was voor één jaar. Het gaat om een pas afgestudeerde gymlerares, die verder geen arbeidsverleden heeft. Het beleid bepaalt immers dat in geval de middelen voor ten minste 6 maanden beschikbaar zijn de aanvraag toch ingewilligd kan worden als de gezinshereniger kan aantonen dat hij/zij het afgelopen 3 jaar gemiddeld genomen aan de inkomensnorm heeft voldaan. Voor jonge, net afgestudeerde gezinsherenigers is het duidelijk moeilijk om aan deze eis te voldoen. Het beleid houdt daar te weinig rekening mee: enerzijds worden er op de arbeidsmarkt steeds minder vaste contracten verleend, terwijl veel jongere gezinsherenigers geen arbeidsverleden van 3 jaar hebben.

De Afdeling haalt in zijn arrest zowel het Khachab-arrest aan alsmede de richtsnoeren[1] waarin duidelijk aangegeven wordt dat de lidstaten niet alleen af moeten gaan op een arbeidsovereenkomst maar tevens rekening moeten houden met verschillende aspecten die betrekking hebben op de kansen van de gezinshereniger op de arbeidsmarkt, zoals diens opleiding, de structurele beschikbaarheid van vacatures op het vakgebied van de gezinshereniger, etc.

Ook voor de vraag of de middelen duurzaam beschikbaar zijn geldt dus: de IND moet alle relevante omstandigheden betrekken bij de beoordeling. Concluderend kan dan ook gesteld worden dat het ontbreken van een jaarcontract nog niet per definitie betekent dat de IND een aanvraag om gezinshereniging kan afwijzen.

Zie voor de uitspraak van de Afdeling: https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=88298

 

[1] https://www.eumonitor.nl/9353000/1/j9vvik7m1c3gyxp/vjimtdbv2qzw

Update: Afdeling (21 september 2016) : afwijzen van een aanvraag voor gezinshereniging met een beroep op artikel 3.75, lid 3, Vb en paragraaf B1/4.3.2. Vc, zonder een individuele beoordeling, is niet in overeenstemming met het Khachab-arrest.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=88924&summary_only=&q=201504802/1/V3