Wanneer mag een toerist uitgezet worden?

Mensen buiten de EU kunnen Nederland bezoeken als zij een geldig visum hebben of vrijgesteld zijn van de visumplicht omdat zij burger zijn van een bepaald land, zoals Bosnië of Oekraïne.
Het gebeurt wel eens dat een toerist in aanraking komt met politie en justitie. De vraag is wat daarvan de gevolgen zijn? Vaak eindigt de vreemdelingenpolitie het verblijfsrecht van zo’n toerist en geeft hem een terugkeerbesluit om de EU onmiddellijk te verlaten. Hij wordt geacht een gevaar voor de openbare orde te zijn.
De discussie in Nederland was of iemand een gevaar kan zijn voor openbare orde puur omdat hij verdacht wordt van het plegen van een misdrijf of dat hij veroordeeld is. Aan een toerist werd vaak meteen een terugkeerbesluit uitgevaardigd zodra er een verdenking of veroordeling was.
Er was discussie omdat het begrip ‘gevaar voor openbare’ orde een zogenaamd Unierechtelijk begrip is: het is een begrip dat gebruikt wordt in wetgevingen die afkomstig is uit de EU, de richtlijnen en verordeningen. In eerdere beslissingen had het Hof van Justitie namelijk geoordeeld dat indien er sprake is van een veroordeling er per geval gekeken moet worden of van een veroordeelde een actuele, ernstige en daadwerkelijke dreiging uitging. Enkele verdenking en zelfs een veroordeling is dan onvoldoende: per geval moet nagegaan worden of iemand nog steeds een dreiging vormt die in voldoende mate ernstig is.
De vreemdelingenrechtenadvocaten waren van mening dat de genoemde lijn van het Hof van Justitie ook gold ten aanzien van toeristen aangezien het Unierecht zo uniform mogelijk moet worden uitgelegd. De IND daarentegen was van mening dat er onderscheid moet worden aangebracht tussen soorten vreemdelingen: Unieburgers, derdelander met verblijf en derdelanders die slechts op bezoek zijn.
De Raad van State legde de vraag voor aan het Hof van Justitie, omdat er twijfel was over de uitlegging van het EU-recht. In dat geval moet de vraag voorgelegd worden aan het Hof dat als enige bevoegd is om het EU-recht te interpreteren.
Het Hof vond dat de uitlegging van het openbare ordebegrip in de Schengencode – die over het korte verblijf van toeristen gaat – anders uitgelegd moet worden dan dat hetzelfde begrip in Richtlijn 2004/38 wordt uitgelegd waarin het verblijf van EU-burgers in andere staten geregeld wordt. In het laatste geval moet er iets heel ernstigs aan de hand zijn om het verblijf van de EU-burger te kunnen beëindigen. In het eerste geval hoeft het niet zo ver te gaan, vond het Hof. De lidstaten hebben in dit geval ruimere bevoegdheden dan ten aanzien van Unieburgers, aldus het Hof. In paragraaf 37 van het arrest E.P., van 12 december 2019, overweegt het Hof:
‘Derhalve geldt dat de ruime beoordelingsmarge die door het Hof aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten is toegekend wanneer zij nagaan of de voorwaarden voor afgifte avan een eenvormig visum zijn nageleefd, gelet op de complexiteit van een dergelijk onderzoek (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Koushkaki, C‑84/12, EU:C:2013:862, punten 56‑60), logischerwijs ook aan deze autoriteiten moet worden toegekend wanneer zij bepalen of een onderdaan van een derde land een bedreiging van de openbare orde vormt in de zin van artikel 6, lid 1, onder e), van de Schengengrenscode. ‘
En maar is het niet zo dat de lidstaten bij elke veroordeling en bij elke verdenking over kunnen gaan tot een terugkeerbesluit. Het handelen van de lidstaten moet evenredig zijn en niet verder gaan dan noodzakelijk is. Het strafbare feit waarvan de vreemdeling verdacht wordt moet ernstig genoeg zijn ‘ om te rechtvaardigen dat het verblijf van deze onderdaan op het grondgebied van de lidstaten onmiddellijk wordt beëindigd’ (par. 48).
In geval van een verdenking zonder een veroordeling kan dat besluit alleen genomen worden als ‘er concordante, objectieve en nauwkeurige elementen zijn op grond waarvan deze onderdaan kan worden verdacht van het plegen van een dergelijk strafbaar feit’ (par. 50). Wanneer dat aan de orde is, bepaalt de rechter.
Zie voor het arrest van het Hof:

Visum kort verblijf: vertegenwoordiging

Als iemand uit een land komt waarvan de burgers visumplichtig zijn, moet hij een visum hebben om Nederland te kunnen inreizen. Dit visum geeft hem het recht om Nederland (en andere Schengen-staten) in te reizen en maximaal 3 maanden te verblijven. Meestal kan zo iemand zich wenden tot de Nederlandse ambassade in zijn land van herkomst of in een buurland. In sommige gevallen is het zo dat Nederland in een bepaald land geen ambassade of geen consulaire afdeling heeft. In dat geval neemt een ander land een besluit namens Nederland. Met enige regelmaat probeert referent (uitnodiger/familielid) in geval van visumweigering  in Nederland  bezwaar aan te tekenen bij de Visadienst/IND. Het bezwaar wordt niet ontvankelijk verklaard: de procedure moet in het land gevoerd worden dat namens Nederland het besluit heeft genomen.

Heel lang was er een discussie of deze gang van zaken wel in overeenstemming was met het EU-recht en in het bijzonder het beginsel van effectief rechtsmiddel. Procederen in bijvoorbeeld Frankrijk, Zwitserland of Zweden kost vaak veel geld en levert ook praktische problemen op, zoals taalbarrière. De rechtbank in Utrecht besloot een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de EU.

Het Hof bepaalde dat Nederland terecht het standpunt inneemt dat de procedure in het vertegenwoordigende land gevoerd moet worden.

Zie voor het arrest van het Hof:

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=CCC145AD8FFD872AA4BF3BA4158F66C2?text=&docid=216549&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=5791048

 

Het artikel komt van  de website van Sarikas & Agayev Advocaten. Zie link: https://www.sarikasagayev.nl/visum-kort-verblijf-vertegenwoordiging/

 

Middelen EU & richtlijn 2004/38

Een van de pilaren van de EU is het vrije verkeer van personen. Artikel 21 van het Werkingsverdrag bepaald dat ‘Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.’

Om dit artikel nader in te vullen is de richtlijn 2004/38 in het leven geroepen (ook wel verblijfsrichtlijn of Unieburgerrichtlijn genoemd). In die richtlijn is bepaald aan welke eisen een unieburger moet voldoen om rechten te kunnen ontlenen aan de richtlijn. Een van de eisen is de zogenaamde de middeleneis. Artikel 7, lid 1, sub b bepaalt dat

Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:  b) indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt’.

Het is van belang dat unieburgers en hun familieleden over voldoende middelen beschikken zodat zij geen beroep hoeven te doen op de bijstand.

De herkomst van de middelen is niet relevant. Het kan gaan om inkomen uit werk, bedrijf of spaarrekening.

Hoe zit het met inkomen dat wordt verdiend door iemand die eigenlijk niet mag werken omdat hij geen verblijfsrecht heeft? Telt dit ook als voldoende middelen van bestaan zoals bedoeld in de richtlijn? Volgens het Hof van Justitie moet ook dat inkomen beschouwd worden als middelen in de zin van de richtlijn.

Het gaat om de zaak van Ermira Bajratari tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 oktober 2019. Daarin bepaalt het Hof het volgende: ‘Uit het voorgaande volgt dat het feit dat de bestaansmiddelen waarop een minderjarige Unieburger zich voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38 wil beroepen, afkomstig zijn van inkomsten die zijn ouder, een derdelander, verwerft uit arbeid die in het gastland wordt verricht, er niet aan in de weg staat dat de in die bepaling gestelde voorwaarde van voldoende bestaansmiddelen ook wordt geacht te zijn vervuld wanneer die ouder in dat gastland niet beschikt over een verblijfs- en werkvergunning.’ (rechtsoverweging 48).

Het arrest van het Hof vindt u hier:  http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=11FAAA0C6E7382AA84D0782F9F29633F?text=&docid=218484&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=4715715

 

Zie voor het originele artikel: https://www.sarikasagayev.nl/middelen-eu-rechtelijk-2009-38/

Vreemdelingenbewaring: termijn uitspraak rechtbank

Vreemdelingen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie verblijven mogen op basis van de Terugkeerrichtlijn in bewaring worden gesteld om de terugkeer mogelijk te maken.  Aangezien vreemdelingenbewaring – ook wel vreemdelingendetentie genoemd – een zeer ingrijpende maatregel is, mag het niet zo maar worden opgelegd. Het mag alleen worden opgelegd als het niet mogelijk is om het doel – namelijk de uitzetting – op een andere manier te bereiken. Denk aan vrijwillige terugkeer of meldplicht. 

Als een vreemdeling eenmaal in bewaring is gesteld mag de bewaring ook niet eindeloos duren. Zo moet de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), die belast is met de uitzetting, voortvarend handelen. Dat betekent dat de DT&V tijdig de juiste handelingen moet verrichten om de uitzetting mogelijk te maken. Laat de DT&V de zaak te lang liggen, waardoor de vreemdeling onnodig lang in bewaring blijft, dan kan de rechtbank om die reden de opheffing van de bewaring bevelen.

De wet laat ook toe dat de bewaring opgeheven wordt als de rechtbank niet binnen zeven dagen na de zitting een schriftelijke uitspraak heeft gedaan. Artikel 94, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet bepaalt: 

‘De rechtbank doet mondeling of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan. In afwijking van artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd.’

De Raad van State heeft al in een uitspraak van 12 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7976, de wetsbepaling zo uitgelegd dat de overschrijding van deze uitspraaktermijn niet per se tot onrechtmatigheid van de bewaring leidt. Per geval moet worden beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden die overschrijding van deze termijn kunnen rechtvaardigen.

In een recente uitspraak oordeelde de Raad van State dat de overschrijding van de uitspraaktermijn niet gerechtvaardigd was.  De bewaring van de vreemdeling werd dan ook met ingang van de dag nadat de termijn voor het doen van de uitspraak was geëindigd, onrechtmatig. De link naar de uitspraak van de Raad van State: http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=92102

Tegenwerpen van het verstrekken onjuiste gegevens in een vorige procedure in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn

Referent voldoet aan de inkomenseis en de vreemdeling heeft het inburgeringsexamen buitenland met goed gevolg afgelegd. Verder voldoen zij ook aan alle andere eisen. Toch wordt de mvv-aanvraag afgewezen. Dit kon. Als de vreemdeling in het verleden, in een andere procedure, onjuiste gegevens had verstrekt (zoals bijvoorbeeld het hebben van een schijnrelatie waarvoor de vreemdeling een verblijfsvergunning had gehad, die vervolgens ingetrokken is). In dat geval kon de mvv-aanvraag van de vreemdeling worden afgewezen totdat de vreemdeling 5 jaar buiten het grondgebied van Nederland had verbleven. De IND baseerde dit op artikel 16, aanhef en onder i, van de Vreemdelingenwet:’Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien: (…)

 i. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid; ‘

In het Vreemdelingenbesluit werd dit nader gespecificeerd, in artikel 3.77, lid 7:

 ‘De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgewezen op de in artikel 16, eerste lid, onder i, van de Wet genoemde grond, tenzij de vreemdeling sinds de laatste uitzetting of het laatste gecontroleerde vertrek een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren buiten Nederland heeft verbleven.’

Veel vreemdelingenrechtadvocaten worstelden hiermee omdat iemand op deze manier twee keer gestraft werd: 1. de verblijfsvergunning werd ingetrokken en de vreemdeling werd uitgezet of verliet het land vrijwillig; 2. Toekomstige aanvragen werden voor 5 jaar als het are geblokkeerd.

In een zaak van mij betekent dit dat een moeder van drie minderjarige kinderen – die bij hun Nederlandse vader in Nederland verblijven – haar kinderen slechts met een visum voor kort verblijf kan bezoeken. Het kwam zelfs voor dat het visum kort verblijf een keer afgewezen werd. Gelukkig kon dit na bezwaar rechtgezet worden. Aangezien de moeder in 2014 Nederland had verlaten kon zij tot 2019 geen verblijfsvergunning krijgen.

De IND was van mening dat dit beleid in overeenstemming was met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Artikel 16, lid 2, van de Gezinsherenigingsrichtlijn bepaalt:

2. De lidstaten kunnen tevens het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging afwijzen of de verblijfstitel van gezinsleden intrekken of weigeren te verlengen indien is vastgesteld dat:

a) er valse of misleidende informatie is verstrekt, valse of vervalste documenten zijn gebruikt, of anderszins fraude is gepleegd of onwettige middelen zijn gebruikt;

Op 26 april 2017 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’) overwogen dat artikel 16, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, lid 7, Vb in strijd zijn met artikel 16, lid 2, van de Gezinsherenigingsrichtlijn (201604740/1/V1).

 Allereerst brengt de Afdeling in herinnering dat de gezinshereniging de algemene regel is. Dit volgt uit het Chakroun-arrest. De beperkingen op de gezinshereniging, zo ook artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn moeten strikt worden uitgelegd. De lidstaten mogen hun handelingsruimte niet zo gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn, namelijk de bevordering van gezinshereniging.

Volgens de Afdeling moet artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn zo worden gelezen dat de aanvraag kan worden afgewezen indien er o.a. onjuiste gegevens zijn verstrekt. Ook kan een eenmaal verleende verblijfsvergunning worden ingetrokken indien de IND er achter komt dat er o.a. sprake was van het verstrekken van onjuiste gegevens. Het is dus een sanctie.

Uit de bepaling volgt echter niet dat indien er eenmaal een sanctie is opgelegd de IND de sanctie ook nog eens kan ‘doortrekken’ naar een nieuwe aanvraag. Hetbeoogde doel – namelijk het tegengaan van misbruik – is namelijk al bereikt door de intrekking.

Voor zover deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat een vreemdeling misbruik maakt van de Gezinsherenigingsrichtlijn door onjuiste gegevens te verstrekken, is dat doel in die situatie reeds bereikt doordat de verblijfsvergunning ingetrokken is. De desbetreffende vreemdeling verstrekt immers thans de juiste gegevens en voldoet aan de vereisten voor gezinshereniging. De genoemde bepaling van de Gezinsherenigingsrichtlijn kan niet worden gebruikt om een latere mvv-aanvraag af te wijzen. De Afdeling concludeert dan ook: ‘Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000 is dan ook in zoverre onverbindend. Dat de staatssecretaris een individuele beoordeling maakt voordat hij een aanvraag op deze grond afwijst, maakt dit niet anders. De staatssecretaris is immers niet bevoegd om een aanvraag in die situatie op deze grond af te wijzen.

Reeds omdat artikel 3.77, zevende lid, van het Vb 2000 een uitwerking is van de in artikel 16, eerste lid, onder i, van de Vw 2000 neergelegde afwijzingsgrond, is deze bepaling eveneens een onjuiste implementatie van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Deze bepaling is dus eveneens onverbindend.’

Mijn client zal een nieuwe aanvraag indienen. Ook andere mensen in een soortgelijke situatie kunnen dit nu doen.

Overigens zijn de genoemde nationale bepalingen slechts onverbindend daar waar het gaat om gezinshereniging. Als het gaat om andere verblijfsgronden, zoals een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst, kan de IND de bepalingen nog steeds toepassen.

Link naar de uitspraak: https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91061

De Raad van State verklaart het hoger beroep van de IND over het ‘zesmaandenbeleid’ ongegrond

Derdelander partners van Nederlanders, die gebruik hebben gemaakt van hun recht  op vrije verkeer van personen door zich in een andere EU-lidstaat te vestigen, en die  zich samen met hun Nederlandse partner in de andere EU-lidstaat hebben gevestigd kunnen samen met de Nederlandse partner naar Nederland terug keren. Dit is al lang geleden door het Hof van Justitie bepaald in de arresten Eind en Singh en later bevestigd en nader gespecificeerd in het O. en B. arrest.  In het laatste genoemde arrest heeft het Hof het volgende overwogen:

’54 Wanneer er in geval van een daadwerkelijk verblijf van een burger van de Unie in het gastland krachtens en onder eerbiediging van artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38, aldaar een gezinsleven is opgebouwd of bestendigd, vereist de nuttige werking van de rechten die de betrokken burger van de Unie aan artikel 21, lid 1, VWEU ontleent, dat het gezinsleven dat deze burger in het gastland heeft geleid, kan worden voortgezet bij diens terugkeer in de lidstaat van zijn nationaliteit, middels de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan het betrokken familielid dat derdelander is. Zonder een dergelijk afgeleid verblijfsrecht zou deze burger van de Unie er immers van worden weerhouden de lidstaat van zijn nationaliteit te verlaten om zijn recht uit te oefenen om krachtens artikel 21, lid 1, VWEU in een andere lidstaat te verblijven, omdat hij niet de zekerheid heeft dat hij in zijn lidstaat van oorsprong een gezinsleven met zijn naaste verwanten dat hij in het gastland heeft opgebouwd of bestendigd, kan voortzetten (zie in die zin arresten Eind, punten 35 en 36, en Iida, punt 70).

55 A fortiori vereist de nuttige werking van artikel 21, lid 1, VWEU dat de burger van de Unie bij zijn terugkeer in de lidstaat van zijn nationaliteit het gezinsleven kan voortzetten dat hij in het gastland leidde, indien deze burger en het betrokken familielid dat derdelander is, in dat gastland een duurzaam verblijfsrecht hebben verworven krachtens artikel 16, lid 1 respectievelijk lid 2, van richtlijn 2004/38.’

Voor de zogenaamde EU-toetsing gelden enkele criteria. De IND heeft dit vastgesteld in de Vreemdelingencirculaire (paragraaf B10/2.2. Vc).  Daarin staat het volgende:

‘Voor het uit een derde land afkomstige familielid van een Nederlander ontstaat een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 21, eerste lid, VWEU als de Nederlander en het familielid:

• daadwerkelijk hebben verbleven in een andere lidstaat van de EU;
• gedurende de gehele periode van daadwerkelijk verblijf in de andere lidstaat hebben voldaan aan de voorwaarden genoemd in lid 1 of lid 2 van artikel 7 of in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG; en
• tijdens het daadwerkelijke verblijf in de andere lidstaat een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd.

De IND neemt alleen aan dat het gezinsleven is opgebouwd of bestendigd bij een daadwerkelijk, aaneengesloten verblijf in de andere lidstaat van ten minste zes maanden.’

Hoewel het Hof de termijn van 6 maanden niet noemde, vond de IND dat het Hof de lidstaten de ruimte gaf om zelf een termijn te bepalen voor de beantwoording van de vraag wanneer het gezinsleven in de andere lidstaat opgebouwd/bestendigd is. Aanhakend bij de nationale beleidsregels heeft de IND die termijn bepaald op 6 maanden.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) had het arrest O. en B.  zo uitgelegd dat een gezamenlijk verblijf van meer dan 3 maanden volstond. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3184, later bevestigd in de uitspraak van 19 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:517):

‘Indien het familielid van de burger van de Unie aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die hoedanigheid samen met de burger van de Unie langer dan drie maanden in een gastlidstaat heeft verbleven en daar een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd, heeft hij in beginsel bij terugkeer naar de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit, een afgeleid verblijfsrecht (zie punt 53). ‘ (rechtsoverweging 5.3.).

De IND bleef de eis van 6 maanden hanteren. Totdat de vraag voorgelegd werd aan de vreemdelingenkamer in Roermond (11 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11370). De rechtbank overwoog als volgt:

’13. De wijze waarop verweerder in het beleid sinds 1 januari 2015 invulling geeft aan het begrip opbouwen en bestendigen van het gezinsleven en met name het vereiste van de zes maanden termijn betreft naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste interpretatie van de hiervoor weergegeven jurisprudentie en bepalingen van de Verblijfsrichtlijn. Het afgeleide verblijfsrecht ontstaat immers indien voldaan is aan de vereisten van artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn en dat is een daadwerkelijk verblijf van tenminste drie maanden. Het door verweerder gehanteerde beleid in paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000 is in zoverre dan ook onverbindend. Verweerder heeft dit beleid dan ook ten onrechte ten grondslag gelegd aan zijn beslissing. Het bestreden besluit komt vanwege een motiveringsgebrek voor vernietiging in aanmerking.’

De rechtbank gaf de IND de kans om het genoemde gebrek te herstellen. Toen de IND aangaf daar geen gebruik te willen maken verklaarde de rechtbank het beroepschrift gegrond. De IND liet het daar niet bij zitten en tekende hoger beroep aan.

Ondertussen zette de IND het ‘zesmaandenbeleid’ voort. Voordat ik in ga op de uitspraak van de Afdeling in de hoger beroepszaak, wil ik een andere uitspraak noemen  waarbij een andere instantie ook een standpunt innam in een soortgelijke kwestie.

Het EFTA-Hof (het Hof waarbij Noorwegen, IJsland & Liechtenstein aangesloten is) kreeg de vraag voorgelegd of een verblijf van minstens 3 maanden in een andere lidstaat voldoende was voor het opbouwen van een gezinsleven. Het EFTA-Hof ging  uit van artikel 7 van de Richtlijn 2004/38, terwijl het Hof van Justitie uit gaat van artikel 21 van het Werkingsverdrag (VWEU). Op 26 juli 2016 overwoog het EFTA-Hof:

‘The Court assumes that the sponsor stayed legally in Spain for more than three months. If this is not the case, the sponsor cannot be said to have acted under EEA law for the purpose of creating a derived right as a family member for a third country national. It is for the referring court to establish the respective facts.’  (rechtsoverweging 73).

Ook het EFTA-Hof gaat dus uit van een verblijf van langer dan 3 maanden.

Verder wijs ik u naar punt 7 van de annotatie van Groenendijk. Ook daaruit blijkt dat de eis die verweerder stelt dat betrokkenen ten minste zes maanden in de andere EU-lidstaat verbleven moeten hebben niet in overeenstemming is met het Unierecht.

Rest nog de uitspraak van de Afdeling. Ik heb de uitspraak nog niet online kunnen vinden, dit komt omdat de Afdeling het door de IND ingediende hoger beroepschrift in een ‘standaard uitspraak’ kennelijk ongegrond heeft verklaard. De advocaat van betrokkenen, mr. Lienaerts, heeft mij in het bezit gesteld van de geanonimiseerde versie van de uitspraak (21 februari 2017, 201607444/1/V3). Door het hoger beroepschrift kennelijk ongegrond te verklaren zonder een inhoudelijke beoordeling liet de Afdeling blijken dat er geen twijfel bestaat over de vraag of het IND-beleid van de zesmaandentermijn in overeenstemming is met het Unierecht. Het antwoord is nee.