Overschrijding termijn nareis vanwege het Vluchtelingenwerk Nederland

De IND hanteerde een termijn een van drie  maanden voor de indiening van de aanvraag voor de gezinshereniging in het kader van de nareis. Binnen drie maanden nadat de asielzoeker een asielstatus krijgt – en dus statushouder wordt – moest hij/zij de aanvraag indienen. De termijnoverschrijding werd zelden verschoonbaar geacht. Over de vraag of de IND een aanvraag om gezinshereniging mag afwijzen om de enkele reden dat die aanvraag buiten de termijn van drie maanden is ingediend heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State zogenaamde prejudiciële vragen gesteld aan het Europees Hof van Justitie. (https://www.raadvanstate.nl/pers/persberichten/tekst-persbericht.html?id=1054)

De rechtbank bepaalt in deze uitspraak dat onze cliënt aangetoond heeft dat hij al het mogelijk deed om met zijn dochter herenigd te worden. Hij heeft zich tijdig tot het VluchtelingenWerk gewend. Verder sprak hij geen Nederlands en kende hij het systeem niet. De rechtbank vindt dat van onze cliënt niet kan worden verlangd dat hij een advocaat heeft benaderd voor de aanvraag. Daarnaast heeft hij direct na de beleidswijziging de aanvraag alsnog ingediend. De rechtbank vindt dus dat het niet de fout van onze cliënt is dat de aanvraag te laat is ingediend. Oftewel: de termijnoverschrijding is volgens de rechtbank verschoonbaar. De rechtbank draagt de IND op om opnieuw een beslissing te nemen.

 

De uitspraak vindt u hieronder:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBMNE:2017:5868

 

P.S.1: het is een wat ouder artikel dat aanvankelijk verloren was en later gevonden is.

P.S.2: de prejudiciële vragen zijn inmiddels beantwoord.

Chavez-arrest & stiefouders

Dat de ouder van een kind met de Nederlandse nationaliteit het verblijfsrecht heeft indien hij kan aantonen dat hij zorgtaken verricht ten aanzien van het kind. Daarnaast moet de ouder aantonen dat het kind zodanig afhankelijk is van de ouder dat bij het vertrek van de ouder naar het land van herkomst ook het kind gedwongen wordt om te vertrekken. Ten aanzien van jonge minderjarigen die altijd al voor het kind hebben gezorgd levert het in de praktijk bijna geen problemen op. De afhankelijkheidsverhouding wordt dan vaak aangenomen.

Chavez-arrest kan echter onder omstandigheden ook van toepassing zijn op anderen dan de biologische ouders van een kind. Denk bijvoorbeeld aan grootouders en stiefouders. In een recente zaak van ons kantoor deed een stiefmoeder een beroep op het Chavez-arrest. De ouders van het kind waren gescheiden en de vader was getrouwd met client. De  biologische moeder van het kind is in beeld, maar is niet in staat om voor het kind te zorgen. Vandaar dat het kind bij de vader verblijf. De vader heeft echter een eigen onderneming en onregelmatige werktijden.

De IND was aanvankelijk van mening dat de stiefmoeder helemaal niet kon aantonen dat er sprake was van zorgtaken ten aanzien van het kind. Hierdoor kwam men niet eens aan de vraag of er ook sprake was van een afhankelijkheidsverhouding. Later nam de IND aan dat er wel degelijk sprake was van zorgtaken, maar werd de afhankelijkheidsverhouding niet aangenomen.

De vraag aan de rechtbank was of de beslissing van de IND juist was. De rechtbank vindt de werkwijze van de IND niet correct. De rechtbank is van mening dat de stiefmoeder voldoende bewijsmateriaal had overgelegd om haar verhaal te ondersteunen. De IND had nader onderzoek moeten instellen naar het bewijsmateriaal. Ook moest de IND een hoorzitting houden. Omdat dit niet gebeurd was, moet de IND alsnog een onderzoek verrichten naar de mate van afhankelijkheid van het kind van zijn stiefmoeder.

Zie de website van Sarikas & Agayev Advocaten voor het gehele artikel:

Chavez-arrest & stiefouders

 

Samenwonen op hetzelfde BRP-adres geen vereiste voor voortzetting verblijf bij partner

Als iemand een verblijfsvergunning heeft op basis van een relatie dan is de verblijfsvergunning verleend onder de voorwaarde dat de relatie voortduurt. Als het later blijkt dat de relatie verbroken is, zal de IND de verblijfsvergunning intrekken, vaak met terugwerkende kracht.

Het was in de regel zo dat de IND als eerste nagaat of de betrokkenen (nog steeds) op hetzelfde adres ingeschreven staan. Als dat niet het geval was, dan was dat voor de IND een indicatie dat de relatie verbroken was. Geen BRP-inschrijving betekende geen ‘deugdelijk bewezen duurzame relatie”. De vraag was of deze werkwijze in overeenstemming was met de Gezinsherenigingsrichtlijn.  De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – de hoogste rechter als het om vreemdelingenzaken gaat –  heeft hierover uitsluitsel gegeven.

De Afdeling beantwoordt de vraag met een verwijzing naar een oud arrest van het Hof van Justitie van de EU – de ‘rechtbank’ van de EU – namelijk het Diatta-arrest uit 1985 en eigen jurisprudentie uit het verleden: ‘Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:455), valt uit de definitie van gezinshereniging in artikel 2, aanhef en onder d, van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet op te maken dat om voor gezinshereniging in aanmerking te komen daadwerkelijk sprake moet zijn geweest van samenwoning.’ (r.o. 4).

Dit betekent natuurlijk niet dat aan het niet-samenwonen helemaal geen waarde moet worden gehecht: het kan nog steeds een indicatie zijn dat een relatie verbroken is. Het mag echter niet als zelfstandige grond dienen om een verblijfsvergunning in te trekken. Het kan een indicatie vormen voor de IND om nader onderzoek te verrichten naar de vraag of de relatie nog bestaat. Maar als het blijkt dat betrokkenen ondanks het feit dat zij niet op hetzelfde BRP-adres ingeschreven staan nog steeds relatie hebben, dan mag de verblijfsvergunning niet ingetrokken worden.

Zie voor de uitspraak van de Afdeling: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:4132

 

Lees het artikel op: https://www.sarikasagayev.nl/samenwonen-op-hetzelfde-brp-adres-geen-vereiste-voor-voortzetting-verblijf-bij-partner/

Aanvullende prejudiciële vraag: weigering visum vanwege bezwaar lidstaat

Je wilt je in Nederland wonende neef bezoeken en dient een visumaanvraag in. Je krijgt een visumweigering. Een niet nader genoemde EU-lidstaat heeft zonder opgaaf van redenen bezwaar gemaakt tegen de visumverlening.

De visumweigering is gebaseerd op artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a), sub vi), van de Visumcode, omdat één of meer lidstaten bezwaar tegen afgifte van het visum heeft of hebben gemaakt.  Omdat het niet bekend is welk land bezwaar maakt is het voor de visumaanvrager onmogelijk om het besluit aan te vechten. Nederland weigert op zijn beurt bekend te maken welk land bezwaar maakt. De visumaanvrager is van mening dat hij zich niet goed kan verdedigen nu hij niet weet waartegen hij zich moet verdedigen.

De visumaanvrager had in Nederland bezwaar ingesteld. Omdat het bezwaar ongegrond was verklaard had hij beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank werd aanvankelijk verzocht om de zaak aan te houden omdat de rechtbank in Haarlem in een vergelijkbare zaak al prejudiciële vragen had gesteld (C-225/19 en C-226/19, https://ecer.minbuza.nl/c-225/19-en-c-226/19-minister-van-buitenlandse-zaken-e.a.). In die zaken was het echter bekend welke lidstaat bezwaar had gemaakt tegen de visumverlening. En dat was het verschil tussen de Haarlemse zaak en de onderhavige zaak. Om die reden heeft de rechtbank in Amsterdam besloten om een aanvullende prejudiciële vraag te stellen:

‘Wordt de beantwoording van prejudiciële vragen in de zaken bij het Hof geregistreerd onder de nummers C‑225/19 en C-226/19, anders, indien niet bekend wordt gemaakt of bekend is geworden wat het land is dat bij de voorafgaande raadpleging als bedoeld in artikel 22 van de Visumcode bezwaar heeft gemaakt tegen de afgifte van een visum aan de aanvrager?’

Zie voor de verwijzingsuitspraak: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:1838

Wordt vervolgd!

 

 

Lees het artikel op de website van Sarikas & Agayev Advocaten: https://www.sarikasagayev.nl/aanvullende-prejudiciele-vraag-weigering-visum-vanwege-bezwaar/

Wanneer mag een toerist uitgezet worden?

Mensen buiten de EU kunnen Nederland bezoeken als zij een geldig visum hebben of vrijgesteld zijn van de visumplicht omdat zij burger zijn van een bepaald land, zoals Bosnië of Oekraïne.
Het gebeurt wel eens dat een toerist in aanraking komt met politie en justitie. De vraag is wat daarvan de gevolgen zijn? Vaak eindigt de vreemdelingenpolitie het verblijfsrecht van zo’n toerist en geeft hem een terugkeerbesluit om de EU onmiddellijk te verlaten. Hij wordt geacht een gevaar voor de openbare orde te zijn.
De discussie in Nederland was of iemand een gevaar kan zijn voor openbare orde puur omdat hij verdacht wordt van het plegen van een misdrijf of dat hij veroordeeld is. Aan een toerist werd vaak meteen een terugkeerbesluit uitgevaardigd zodra er een verdenking of veroordeling was.
Er was discussie omdat het begrip ‘gevaar voor openbare’ orde een zogenaamd Unierechtelijk begrip is: het is een begrip dat gebruikt wordt in wetgevingen die afkomstig is uit de EU, de richtlijnen en verordeningen. In eerdere beslissingen had het Hof van Justitie namelijk geoordeeld dat indien er sprake is van een veroordeling er per geval gekeken moet worden of van een veroordeelde een actuele, ernstige en daadwerkelijke dreiging uitging. Enkele verdenking en zelfs een veroordeling is dan onvoldoende: per geval moet nagegaan worden of iemand nog steeds een dreiging vormt die in voldoende mate ernstig is.
De vreemdelingenrechtenadvocaten waren van mening dat de genoemde lijn van het Hof van Justitie ook gold ten aanzien van toeristen aangezien het Unierecht zo uniform mogelijk moet worden uitgelegd. De IND daarentegen was van mening dat er onderscheid moet worden aangebracht tussen soorten vreemdelingen: Unieburgers, derdelander met verblijf en derdelanders die slechts op bezoek zijn.
De Raad van State legde de vraag voor aan het Hof van Justitie, omdat er twijfel was over de uitlegging van het EU-recht. In dat geval moet de vraag voorgelegd worden aan het Hof dat als enige bevoegd is om het EU-recht te interpreteren.
Het Hof vond dat de uitlegging van het openbare ordebegrip in de Schengencode – die over het korte verblijf van toeristen gaat – anders uitgelegd moet worden dan dat hetzelfde begrip in Richtlijn 2004/38 wordt uitgelegd waarin het verblijf van EU-burgers in andere staten geregeld wordt. In het laatste geval moet er iets heel ernstigs aan de hand zijn om het verblijf van de EU-burger te kunnen beëindigen. In het eerste geval hoeft het niet zo ver te gaan, vond het Hof. De lidstaten hebben in dit geval ruimere bevoegdheden dan ten aanzien van Unieburgers, aldus het Hof. In paragraaf 37 van het arrest E.P., van 12 december 2019, overweegt het Hof:
‘Derhalve geldt dat de ruime beoordelingsmarge die door het Hof aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten is toegekend wanneer zij nagaan of de voorwaarden voor afgifte avan een eenvormig visum zijn nageleefd, gelet op de complexiteit van een dergelijk onderzoek (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Koushkaki, C‑84/12, EU:C:2013:862, punten 56‑60), logischerwijs ook aan deze autoriteiten moet worden toegekend wanneer zij bepalen of een onderdaan van een derde land een bedreiging van de openbare orde vormt in de zin van artikel 6, lid 1, onder e), van de Schengengrenscode. ‘
En maar is het niet zo dat de lidstaten bij elke veroordeling en bij elke verdenking over kunnen gaan tot een terugkeerbesluit. Het handelen van de lidstaten moet evenredig zijn en niet verder gaan dan noodzakelijk is. Het strafbare feit waarvan de vreemdeling verdacht wordt moet ernstig genoeg zijn ‘ om te rechtvaardigen dat het verblijf van deze onderdaan op het grondgebied van de lidstaten onmiddellijk wordt beëindigd’ (par. 48).
In geval van een verdenking zonder een veroordeling kan dat besluit alleen genomen worden als ‘er concordante, objectieve en nauwkeurige elementen zijn op grond waarvan deze onderdaan kan worden verdacht van het plegen van een dergelijk strafbaar feit’ (par. 50). Wanneer dat aan de orde is, bepaalt de rechter.
Zie voor het arrest van het Hof:
Lees het artikel ook op de website van Sarikas & Agayev Advocaten: https://www.sarikasagayev.nl/wanneer-mag-een-toerist-uitgezet-worden/

Visum kort verblijf: vertegenwoordiging

Als iemand uit een land komt waarvan de burgers visumplichtig zijn, moet hij een visum hebben om Nederland te kunnen inreizen. Dit visum geeft hem het recht om Nederland (en andere Schengen-staten) in te reizen en maximaal 3 maanden te verblijven. Meestal kan zo iemand zich wenden tot de Nederlandse ambassade in zijn land van herkomst of in een buurland. In sommige gevallen is het zo dat Nederland in een bepaald land geen ambassade of geen consulaire afdeling heeft. In dat geval neemt een ander land een besluit namens Nederland. Met enige regelmaat probeert referent (uitnodiger/familielid) in geval van visumweigering  in Nederland  bezwaar aan te tekenen bij de Visadienst/IND. Het bezwaar wordt niet ontvankelijk verklaard: de procedure moet in het land gevoerd worden dat namens Nederland het besluit heeft genomen.

Heel lang was er een discussie of deze gang van zaken wel in overeenstemming was met het EU-recht en in het bijzonder het beginsel van effectief rechtsmiddel. Procederen in bijvoorbeeld Frankrijk, Zwitserland of Zweden kost vaak veel geld en levert ook praktische problemen op, zoals taalbarrière. De rechtbank in Utrecht besloot een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de EU.

Het Hof bepaalde dat Nederland terecht het standpunt inneemt dat de procedure in het vertegenwoordigende land gevoerd moet worden.

Zie voor het arrest van het Hof:

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=CCC145AD8FFD872AA4BF3BA4158F66C2?text=&docid=216549&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=5791048

 

Het artikel komt van  de website van Sarikas & Agayev Advocaten. Zie link: https://www.sarikasagayev.nl/visum-kort-verblijf-vertegenwoordiging/

 

Middelen EU & richtlijn 2004/38

Een van de pilaren van de EU is het vrije verkeer van personen. Artikel 21 van het Werkingsverdrag bepaald dat ‘Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.’

Om dit artikel nader in te vullen is de richtlijn 2004/38 in het leven geroepen (ook wel verblijfsrichtlijn of Unieburgerrichtlijn genoemd). In die richtlijn is bepaald aan welke eisen een unieburger moet voldoen om rechten te kunnen ontlenen aan de richtlijn. Een van de eisen is de zogenaamde de middeleneis. Artikel 7, lid 1, sub b bepaalt dat

Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:  b) indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt’.

Het is van belang dat unieburgers en hun familieleden over voldoende middelen beschikken zodat zij geen beroep hoeven te doen op de bijstand.

De herkomst van de middelen is niet relevant. Het kan gaan om inkomen uit werk, bedrijf of spaarrekening.

Hoe zit het met inkomen dat wordt verdiend door iemand die eigenlijk niet mag werken omdat hij geen verblijfsrecht heeft? Telt dit ook als voldoende middelen van bestaan zoals bedoeld in de richtlijn? Volgens het Hof van Justitie moet ook dat inkomen beschouwd worden als middelen in de zin van de richtlijn.

Het gaat om de zaak van Ermira Bajratari tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 oktober 2019. Daarin bepaalt het Hof het volgende: ‘Uit het voorgaande volgt dat het feit dat de bestaansmiddelen waarop een minderjarige Unieburger zich voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38 wil beroepen, afkomstig zijn van inkomsten die zijn ouder, een derdelander, verwerft uit arbeid die in het gastland wordt verricht, er niet aan in de weg staat dat de in die bepaling gestelde voorwaarde van voldoende bestaansmiddelen ook wordt geacht te zijn vervuld wanneer die ouder in dat gastland niet beschikt over een verblijfs- en werkvergunning.’ (rechtsoverweging 48).

Het arrest van het Hof vindt u hier:  http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=11FAAA0C6E7382AA84D0782F9F29633F?text=&docid=218484&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=4715715

 

Zie voor het originele artikel: https://www.sarikasagayev.nl/middelen-eu-rechtelijk-2009-38/